Buiten klettert de regen tegen de ramen en draait de wereld best wel mal. Onderweg naar mijn bed kwam ik nog even langs het bureau. Ondertussen zit ik aan de laptop, met een knalgele beanie op mijn hoofd en de hoofdtelefoon stevig over mijn oren geklemd, en ik schrijf. Dat was niet de bedoeling, maar de bedoeling is tegenwoordig wel vaker een wat theoretisch begrip geworden. Een mens moet iets. Of beter nog: een mens moet soms vooral iets kunnen laten, maar daar zijn de omstandigheden niet altijd even behulpzaam in. Dus zit ik hier maar wat te schrijven terwijl de regen buiten een poging doet om de rest van de wereld weg te spoelen.
Het heeft iets van een bijna absurdistisch protest, een eenmansguerrilla tegen de grijze zondvloed buiten. Niemand ziet het. Niemand die weet dat ik hier ben. Een knalgele, tactiele helm op mijn hoofd in een kamer vol schemerlicht; een opstand in de marge van de nacht, zonder manifest, zonder achterban en zonder de minste garantie dat er morgenochtend iets van zal worden opgemerkt.
Er zijn dagen waarop de wereld zelf niet zozeer ingewikkelder is geworden, maar waarop de toegang ertoe dat is geworden. Alsof iemand ergens, buiten mijn medeweten om, de gebruikshandleiding heeft vervangen door een document van vele honderden pagina's, geschreven in een taal die ooit min of meer ook de mijne was, maar nu grotendeels onbruikbaar is geworden. De handelingen zijn dezelfde gebleven. Opstaan, antwoorden, boodschappen doen, een afspraak nakomen, een gesprek voeren, een telefoon opnemen. Alleen vraagt elk van die dingen inmiddels een onderhandeling die niemand anders aan de onderhandelingstafel lijkt te zien zitten.
Autistische burn-out klinkt in dat opzicht bijna te netjes. Het woord burn-out roept al snel het beeld op van iemand die te lang te hard heeft gewerkt en zo snel als verantwoordelijk mogelijk, na een welverdiende periode van rust, langzaam weer aan de slag kan. Een kwestie van de batterijen opladen, de agenda wat leger maken, wat meer aandacht besteden aan verantwoorde zelfzorg, een zestal sessies assertiviteitstraining in groep volgen en voortaan zelfbewuster en verantwoordelijker naar de waarschuwingssignalen luisteren. Alsof je jezelf na een grondige onderhoudsbeurt weer netjes op de oprit kunt zetten, klaar voor een volgende rit. Maar er zijn momenten waarop de batterij niet gewoon leeg is en de oplader niet meer lijkt te passen. Waarop je niet alleen uitgeput raakt van wat je doet, maar ook van wat het kost om de dingen te doen die voor anderen nauwelijks als inspanning herkenbaar zijn.
Dan wordt de vraag hoe je opnieuw kunt deelnemen aan de wereld ineens wel een stuk ingewikkelder dan de vraag wanneer je weer aan het werk kunt. Bijna onvermijdelijk verschuift ook iets in de manier waarop je naar de wereld kijkt. Het is niet zo dat de uitputting je vanzelf wijzer maakt, of dat je als mens uit ieder onheil een inzicht moet zien te distilleren om het achteraf nog enigszins de moeite waard te kunnen noemen. Wat men er ook van zegt, het leven is helemaal geen cursus persoonlijke groei, en ik heb er op dit moment ook niet de energie voor om mijn eigen miserie in een inspirerende presentatie te gieten. Maar wanneer de vanzelfsprekendheden wegvallen, zie je soms scherper hoeveel er eigenlijk op vanzelfsprekendheden is gebouwd. Hoeveel er geoordeeld wordt en geproclameerd. En hoe vaak dat gebeurt op basis van geen basis, maar wel steeds met impact.
Neem nu de politiek.
We worden tegen elkaar opgezet, las ik. Ik bleef er even bij hangen. In die paar woorden zit immers een hele wereld besloten. Een wereld waarin de politiek iets is wat daar gebeurt, door anderen wordt bedreven. Een wereld waarin de burger vooral toeschouwer is, de overheid een ongrijpbaar apparaat, en de politici een soort beroepsmatige buitenstaanders die zich om de zoveel jaar even tussen het volk komen begeven om daarna weer naar hun eigenlijke habitat terug te keren. Liefst met een camera in de buurt en een slogan die op een verkiezingsaffiche past.
Als je er even bij stilstaat, is het een bijzonder merkwaardige verhouding. We spreken over onze politiek zoals we spreken over het weer, de file of een vervelend virus dat door de samenleving waart. Iets waar we last van hebben, iets wat ons overkomt, iets waarvan we hopen dat het binnenkort vanzelf weer overgaat. En als het niet overgaat, kunnen we altijd nog vaststellen dat het tegenwoordig toch allemaal niet meer is wat het geweest is. Vroeger was het beter; vroeger luisterden ze tenminste nog naar de mensen; vroeger had een politicus nog principes. Of dat werkelijk zo was, laten we voor het gemak even in het midden. Het verleden is wel vaker een bijzonder aangename plek om in te wonen wanneer het heden te veel vragen stelt.
In Vlaanderen hebben we daar een beproefde manier voor gevonden. 'Bah, politiek'. Twee woorden, een schouderophaling, een diepe zucht en de zaak is alweer afgehandeld. Er hoeft niets meer te worden uitgezocht, niemand hoeft nog iets uit te leggen en we kunnen met een gerust hart verder met onze dag. De politiek deugt niet, de politici zijn allemaal hetzelfde en wij, wij hebben het natuurlijk allang zien aankomen. Het is een vorm van intellectuele zelfbescherming die ons het prettige gevoel geeft dat we boven de hele toestand staan, terwijl we er ondertussen toch ook maar gewoon middenin zitten. Gevangen in de geruisloze, burgerlijk gehoorzame chaos die zij voor ons hebben bedacht.
De vermoeidheid kan ik begrijpen. Echt. Wie heeft er nog de ruimte om ieder dossier uit te pluizen, ieder partijprogramma naast de werkelijkheid te leggen, iedere beleidsmaatregel op haar gevolgen te beoordelen en iedere politieke belofte te controleren op de kleine lettertjes? Wie heeft daar de tijd voor wanneer er ondertussen gewerkt moet worden, kinderen opgehaald, rekeningen betaald, wachtlijsten overleefd en lichamen overeind gehouden die niet altijd even bereidwillig meewerken? Een democratie mag dan wel op papier van iedereen zijn, ze vraagt in de praktijk ook tijd, kennis, toegang en een zekere hoeveelheid mentale ademruimte. En laat dat nu net de dingen zijn die niet gelijk over de bevolking verdeeld zijn. Maar tussen erkennen dat politieke betrokkenheid niet voor iedereen even gemakkelijk is en doen alsof de politiek ons niet aangaat, ligt toch ook wel een wereld van verschil.
Onlangs las ik een uitspraak in de trant van: We worden weer perfect tegen elkaar opgezet. Het zijn de werklozen! Nee, de zieken! Nee, de immigranten! Nee, de zelfstandigen! Zodat we niet zouden praten over de rol die politici spelen in de toestand van dit land?
Ik snap wat ermee bedoeld wordt. De aandacht verschuift, de ene groep wordt tegenover de andere geplaatst en ondertussen dreigt het gesprek over beleid, verantwoordelijkheid en machtsverhoudingen uit beeld te verdwijnen. Het is een herkenbare manier om politieke communicatie te beschrijven: maatschappelijke problemen worden vertaald naar conflicten tussen groepen, waarna de discussie zich vastbijt in de vraag wie het meeste krijgt, wie het minste bijdraagt en wie er blijkbaar nog altijd te veel profiteert van de inspanningen van een ander. De globale visie ontbreekt echter.
Toch bleef ook hier iets knagen.
"We worden tegen elkaar opgezet."
Het is die eerste persoon meervoud die me dwarszit. Ik hoorde het de afgelopen week elders nog min of meer op hetzelfde neerkomen, alsof we de speelbal zijn geworden van de politiek. Toen werd de we, zo achteloos uitgesproken, alsof we met z'n allen op een ochtend zijn opgestaan en hebben vastgesteld dat iemand onze onderlinge verstandhouding heeft ontregeld. Alsof we voordien allemaal vredig naast elkaar leefden, elkaar spontaan hielpen en de solidariteit alleen maar hoefde te bestaan om zichzelf in stand te houden. Alsof er buiten ons een regisseur staat die de ene groep een tekstbriefje toeschuift en de andere een tegengestelde repliek, waarna wij ons gewillig naar onze gemarkeerde plaatsen begeven en de voorstelling kan beginnen. De Warmste Week kwam er niet vanzelf en je zou wensen dat elke dag de warmste kon zijn. Dan waren we afgelopen zomer misschien niet zoveel dierbaren verloren tijdens de ene na de andere hittegolf, terwijl we het hadden over hoe menselijk we wel mochten zijn en waar we menselijkheid dan zouden categoriseren op het politieke spectrum.
Misschien gebeurt dat inderdaad wel, dat tegen elkaar opzetten. Mijn boekenkast staat vol tegenstrijdige meningen en onvermijdelijk herschrijf ik zelf ook nog elke versie van een boek terwijl ik het aan het lezen ben. Dat doen we dan ook als mens: verschillen van mening, maar het gaat natuurlijk over veel meer dan maar wat van mening verschillen. Politieke communicatie kan groepen tegenover elkaar plaatsen, verantwoordelijkheid verschuiven en complexe problemen reduceren tot herkenbare tegenstellingen. Maar de formulering 'we worden tegen elkaar opgezet' vertelt maar de helft van het verhaal. Ze laat de anderen het werk doen en ons achter als het argeloze publiek dat het allemaal maar wat ondergaat. De manipulatie bevindt zich elders, de verantwoordelijkheid bevindt zich elders en wij mogen onszelf achteraf vooral beklagen over het feit dat we erin zijn getrapt. Het klinkt kritisch, maar het is ook vooral een bijzonder comfortabele positie. Daar schuurt het voor mij.
Sta mij toe om de zin een beetje bij te stellen en we worden tegen elkaar opgezet te vervangen door we laten ons tegen elkaar opzetten. Hiermee wil ik niet de volledige verantwoordelijkheid verschuiven, ook niet de schuld voor alle maatschappelijke tegenstellingen en al helemaal niet de verantwoordelijkheid van wie over meer macht beschikt dan een ander, maar hiermee wil ik wel een ongemakkelijke vraag stellen over onze eigen rol. Over wat we met informatie doen, over welke verontwaardiging we zonder veel nadenken overnemen, over de mensen die we tot karikaturen reduceren, omdat dat gemakkelijker is dan hun omstandigheden te begrijpen. Over de momenten waarop we weten dat een verhaal niet helemaal klopt, maar het toch delen omdat het zo wonderlijk goed aansluit bij wat we al dachten. Wie luistert dan nog naar wie en wie luistert dan nog met het hart?
Dat dit geen prettige vraag is, dat weet ik wel. Maar persoonlijk voel ik er helemaal niets bij. Ze ontneemt ons misschien vooral de luxe om uitsluitend verontwaardigd te zijn over wat anderen ons aandoen. We zijn niet langer het lijdend onderwerp. Misschien ontstaat er een beetje handelingsperspectief. Is dit dan ook niet de impliciete vraag als we echt van betekenis willen zijn, als we opnieuw het verschil willen maken, als we het echt beter willen doen, zo goed als we tussen de lijnen durven laten uitschijnen? Geef ons handelingsperspectief?
Voor alle duidelijkheid: ik beweer niet dat we allemaal evenveel macht hebben, dat iedere burger dezelfde mogelijkheden heeft om beleid te beïnvloeden of dat democratische inspraak een wondermiddel is waarmee alle scheefgetrokken verhoudingen vanzelf weer recht komen te staan. Er bestaan inderdaad machtsverschillen, belangen die veel zwaarder wegen dan andere en politieke beslissingen waartegen een individuele burger nauwelijks iets kan beginnen. Wie ziek is, uitgeput raakt, in armoede leeft of iedere dag opnieuw moet uitzoeken hoe de volgende dag haalbaar wordt, beschikt niet noodzakelijk over de tijd en energie om zich ook nog eens als volwaardig politiek participant te organiseren.
Dat zou maar een bijzonder cynische conclusie zijn, toch? Dat je pas verantwoordelijkheid kunt opnemen voor de wereld wanneer je eigen leven voldoende op orde is. Alsof politieke betrokkenheid een luxeproduct is dat je jezelf pas mag veroorloven nadat alle andere problemen zijn opgelost.
Maar het omgekeerde is evenmin waar. Het feit dat onze mogelijkheden ongelijk verdeeld zijn, betekent niet dat we ons handelingsvermogen maar beter helemaal kunnen afschrijven. Er is een verschil tussen erkennen dat je niet alles kunt veranderen en besluiten dat niets meer van jou afhangt. Er is een verschil tussen machteloos zijn in een concrete situatie en machteloosheid tot een volledige wereldbeschouwing verheffen.
De manier waarop mensen over democratie praten, doet niet zelden uitschijnen dat het wordt beschouwd als een dienst die ons wordt geleverd, met politici als uitvoerders en burgers als klanten. Alsof het een product is. Zolang de levering op tijd komt, stellen we weinig vragen. Wanneer er iets misloopt, eisen we een betere service. En als de klantenservice niet bereikbaar blijkt, besluiten we dat de hele winkel niet meer deugt. Je hoort het wel vaker vertellen dat iemand in de zorg staat, of in het onderwijs of elders. Maar wie werkt nog daadwerkelijk aan democratie?
Democratie is geen abonnement dat je afsluit en vervolgens kunt vergeten tot er een probleem opduikt. Ze bestaat uit instellingen, regels, rechten en vertegenwoordigers, maar ook uit de manier waarop wij mensen met elkaar omgaan, uit wat we aanvaardbaar vinden, uit de ruimte die we elkaar gunnen en uit de grenzen die we bereid zijn te verdedigen. Politici maken deel uit van dat geheel. Ze hebben macht en dragen verantwoordelijkheid voor de keuzes die ze maken. Maar ze zijn geen vreemde soort die buiten de samenleving staat, en de politiek is geen natuurverschijnsel waartegen we ons uitsluitend kunnen wapenen met een paraplu en een flinke dosis cynisme.
Wij zijn de politiek, klinkt misschien te groot, te absoluut misschien ook wel, alsof de verantwoordelijkheid van een regering zomaar kan worden verdeeld over miljoenen mensen en daardoor bij niemand meer terechtkomt. Dat bedoel ik dus niet. Ik bedoel dat de afstand die we tussen onszelf en de politiek construeren niet onschuldig is. Dat we onszelf niet tegelijkertijd als de enige legitieme bron van democratische macht kunnen beschouwen en als volstrekt machteloze buitenstaanders zodra het resultaat ons niet bevalt. Daarom schuurt het; we hebben wel wat te lijden.
Je kunt politici bekritiseren zonder de politiek als geheel af te schrijven. Je kunt als mens veel voelen over beslissingen, eisen dat anderen verantwoording afleggen en vaststellen dat een beleid bepaalde groepen onevenredig hard treft. Je kunt zelfs besluiten dat het vertrouwen in een bepaalde vertegenwoordiger of instelling grondig beschadigd is. Dat is allemaal iets anders dan bah, politiek en vervolgens doen alsof de zaak daarmee is afgehandeld, want wie de politiek volledig aan anderen overlaat, moet achteraf niet verbaasd zijn dat anderen er vorm aan geven. Daarom vond ik het nodig om dit toch voor het ochtendgloren nog ergens achter te laten.
Ondertussen zit ik nog altijd aan mijn bureau. De gele beanie begint warm te worden en ergens onder mijn hoofdtelefoon dreunt de regen verder. Mijn lichaam geeft al een tijdje aan dat het bed een beter idee is dan nog een uur naar een scherm te staren. Ik weet dat. Ik weet ook dat het verstandig zou zijn om de laptop dicht te klappen, het licht uit te doen en de rest over te laten aan morgen. Alleen werkt weten hier niet altijd als een schakelaar. Soms is weten gewoon een gegeven dat ergens in mijn hoofd blijft liggen, terwijl de rest van m'n systeem nog aan het uitzoeken is wat ermee moet gebeuren. Dat kan soms lang duren. Tussen nu en dan kan het goed zijn dat bergen werk verzet worden, maar evengoed lukt niets nog en is platte rust wat me opgedrongen wordt.
Mijn eigen grenzen kan ik helaas niet opheffen door er een overtuigend argument tegenaan te gooien. Besluiten dat ik vanaf morgen weer moeiteloos functioneer, kan ik niet, net zomin als ik door voldoende politieke betrokkenheid de problemen van dit land eigenhandig kan oplossen. Er zijn grenzen aan wat een mens kan dragen en er zijn omstandigheden waarin het hoogst haalbare niet meer is dan de dag doorkomen zonder zichzelf onderweg helemaal kwijt te raken. Maar er is ook, en ik hoop écht dat het van tijdelijke aard is, een verschil tussen niet alles nog kunnen en niets meer willen proberen.
Misschien verklaart dat waarom ik, op een moment waarop mijn eigen wereld soms al groot genoeg is om in overeind te blijven, toch blijf haken aan die zinnen die we zo gemakkelijk uitspreken. We worden tegen elkaar opgezet. De politiek is niet van ons. We zijn de speelbal geworden. Zinnen waarin we onszelf bijna ongemerkt uit het verhaal schrijven, tot alleen de machteloosheid nog overblijft en we ons mogen afvragen wie ons dat allemaal heeft aangedaan.
Ik wil niet nog een verhaal schrijven waarin mensen elkaar de schuld geven van een wereld die voor steeds meer mensen moeilijk bewoonbaar lijkt. Ik heb weinig behoefte aan een nieuwe rangschikking van wie het meest tekortkomt, wie het hardst moet werken of wie er nu eigenlijk het meeste recht heeft op begrip. Er is al genoeg volk dat elkaar de maat neemt, meestal zonder veel kennis van wat er zich aan de andere kant van de voordeur afspeelt.
Wat ik wel wil, is de ruimte openhouden voor de gedachte dat we niet uitsluitend de slachtoffers zijn van de omstandigheden waarin we leven. Dat we soms meer invloed hebben dan we denken, minder dan we zouden willen en in ieder geval niet allemaal evenveel. Dat we elkaar kunnen aanspreken zonder elkaar af te schrijven. Dat verantwoordelijkheid geen synoniem hoeft te zijn voor schuld en begrip geen verplichting om alles maar te aanvaarden. En dat het misschien tijd wordt om wat zorgvuldiger om te gaan met dat kleine woordje we.
Wie bedoelen we toch eigenlijk ook wanneer we zeggen dat we tegen elkaar worden opgezet? Wie valt daar allemaal onder? Wie spreekt er, wie luistert er, wie heeft er de ruimte om tegen te spreken en wie wordt alweer geacht zich aan te passen aan een discussie die over diens leven gaat, maar waaraan die nauwelijks kan deelnemen? Wie behoort niet tot die we en is dat dan niet per definitie iedereen die niet gewoon ja knikt en meegaat in nog een rondje op de molen van het conformisme of het collectieve cynisme, de dictatuur van de vanzelfsprekendheid?
Ik heb op die vragen geen sluitend antwoord. Ik heb ook geen behoefte om van mijn eigen uitputting een bewijsstuk te maken in een politiek betoog, alsof ik door het moeilijk te hebben automatisch beter zou begrijpen hoe de wereld in elkaar zit. Helemaal niet. Mijn perspectief is niet universeel. Het is het mijne, gevormd door wat ik zie, wat ik mis, wat ik kan dragen en wat ik soms met de beste wil van de wereld niet meer voor elkaar krijg.
Dat is precies waarom ik blijf schrijven, denk ik. Omdat ik ergens tussen het niet meer kunnen en het toch nog iets willen maken probeer te achterhalen welke ruimte er nog bestaat om zelf betekenis te geven aan wat me overkomt. Niet om alles onder controle te krijgen, maar om niet iedere vorm van regie bij voorbaat uit handen te geven.
De regen is intussen niet opgehouden. De wereld is nog altijd mal en de politiek zal morgenochtend vermoedelijk niet plotseling van gedaante veranderd zijn. Ik heb geen revolutie ontketend, geen systeem ontmanteld en geen enkel maatschappelijk probleem opgelost. Ik heb tot diep in de nacht alleen wat zinnen bij elkaar gezet, in de hoop dat ze iets openbreken wat anders misschien gesloten was gebleven.
Het is niet veel. Maar het is ook niet niets.
Er schuilt misschien iets universeels in. Als je hele leven dermate overhoop ligt dat het een schoolvoorbeeld van burgerlijk gehoorzame chaos is, ga dan dingen maken. Gewoon doen. Bezig zijn. Hoe moe en uitgeput je je ook voelt: doe, creëer en geniet toch. Zie het als een daad van onverbiddelijk verzet.
Voor wie zich zou afvragen voor wie we het dan moeten doen, heb ik nog een laatste vraag: waren we niet allemaal wel eens de jeugd van de natie?
Bij deze, zeg maar Kaat.