Het heeft inderdaad veel weg van een slechte, maar strak geregisseerde dressuurwedstrijd waar de paarden van plastic zijn en de ruiters de oogkleppen op hebben. Dezelfde ruiters die al lang voor de pensioengerechtigde leeftijd een steeds groter deel van het jaar doorbrengen als vluchtelingen van de Verlichting. Ze ontvluchten zonder veel schroom de puinhoop die ze er zelf van hebben gemaakt, richting een of ander godverlaten dorp. Of het nu Frans of Spaans is, dat deert niet, als de zon er maar schijnt en het er stil is. Zo stil dat ze eindelijk nog eens zichzelf kunnen horen zuchten. Terwijl zij daar zitten, zitten wij dan hier, aan de zijlijn van hun gemillimeterde gazons, te kauwen op de existentiële vraag van de dag: hoe doe je zoiets in godsnaam op geen reserve? Hoe vlucht je weg uit de beklemming die zij hebben bedacht voor ons? Want "Het leven is geen ponykamp", zo toeteren ze ons al decennia met een voldane, belerende vinger achterna. Het is de ultieme boomer-wijsheid, gratis verspreid vanaf de Rivièra van het afgewerkte leven. Hun huis netjes afbetaald, de kinderen groot, hun carrière achter de rug. Ze kunnen nu vanuit de zon aan de rest van de wereld uitleggen dat het leven nu eenmaal geen ponykamp is. Alsof de wereld waarin wij moeten leven niet mede het product is van hun eigen keuzes. Alsof zij de hindernissen hebben genomen en wij nu maar moeten leren springen. Het leven zou, godbetert, een ponykamp moeten zijn.

De kwaadheid schuilt in het erven van een handleiding waarin staat dat we flexibel moeten zijn, wendbaar, dynamisch, agile, allemaal eufemismen voor het geruisloos incasseren van de krimp. Zij vonden het individualisme uit en verklaarden de solidariteit failliet zodra de laatste afbetaling van hun erf was geklaard. Nu kijken ze via het scherm van hun tablet, die kwam met een veel te duur abonnement, nippend van een lokale wijn met een etiket waarop maar beter niet nóg een levensles te lezen valt, naar de statistieken van onze burn-outs en woningnood. "Een gebrek aan veerkracht", prevelen ze dan, alsof mentale gezondheid een kwestie is van hard genoeg willen. Te hard op je tanden moet je echter ook niet willen bijten, want voor je het weet bijt je ze stuk en beland je snel en ongewild, op een maandenlange, goedbedoelde wachtlijst. En owee als je, om wat voor reden dan ook, ondertussen onverwacht moet verkassen naar een plek met een andere postcode, want dan sta je niet langer op de bellijst. Dan mag je ineens maandenlang, in het beste geval, maar veel langer is ook weer niet meer ongewoon, op zoek naar een tandarts. Aanschuiven. Overal aanschuiven en wachten. En bovenal niets meer verwachten.

Dat laatste zou dan weer een gezonde ingesteldheid zijn voor de mind, de geest, je brein, je vijftiende zintuig en je overlevingskans, en de statistieken. Niet in een rij voor de Meli met je zorgvuldig gespaarde bonnetjes, niet in een rij voor een pretpark of een festivalletje maar in de geruisloze, digitale wachtkamers van een samenleving die een apartleving is geworden en op slot is gedraaid. Een lijst. Ons bestaan is herleid tot dat op een lijst en het dulden van het vertrouwde, belerende toetertje dat klinkt als de stem van de Rodania-wagen in elke kermiskoers: "Het leven is geen ponykamp!" 'Sorry', we smijten het eruit na elke zin, want alleen al door er te zijn nemen we overal en altijd alle ruimte in en die is er, maar niet voor ons.

Het vrije denken is gekaapt. De Verlichting afgezworen. Wie dat publiekelijk durft te stellen, heeft toch echt wel het lef, als je het mij vraagt. Dit gaat voor alle duidelijkheid niet over een generatieconflict, maar over een tragedie van misplaatst idealisme. De Verlichting, de basis van onze moderne democratie, rechtsstaat en verzorgingsstaat, wordt van binnenuit uitgehold. Het gaat over het verraad eraan. De ratio werd ingeruild voor bureaucratie, en universele waarden voor identitaire loopgraven. De reductie van alles waar de Verlichting voor zou kunnen staan tot een kille efficiëntiemachine. De onachtzaamheid druipt uit de parmantig gevoerde ruzietjes over taalzuiverheid en morele superioriteit, terwijl men vergeten is dat het vrije denken ooit bedoeld was om de burger te bevrijden, niet om hem te rangschikken in een tabel met onderaan de zwarte nul.

De kwaadheid is er over de zelfverklaarde intellectuele elite die het kompas van de rede heeft laten vallen om zich bezig te houden met luxeproblemen, de debatten over abstracte dogma's in hun ivoren torens , terwijl de fundamenten van de verzorgingsstaat, ooit met dezelfde idealen opgebouwd, onder hun voeten wegrotten. Zijn ze dan zo verlamd door de angst? Geleid door het besef dat ze door hun dwalen en falen niet langer met zekerheid in een stoel op een zonnige plek ver van hier zullen kunnen scrollen om zich vervolgens zanikend uit te laten over al wie het voor hen mogelijk moet blijven maken? De Verlichting is niet mislukt, maar verlaten, aan haar lot overgelaten door degenen waarvan geacht werd ze te verdedigen. De kwaadheid richt zich op hen die een ideologische vacuüm achterlaten dat nu wordt opgevuld door strakke, kille, tabellen; door een restant dat de clusterfuck aan procedures van de rede wel heeft behouden, maar de menselijke ziel onderweg is kwijtgeraak.

Je kan het toch onmogelijk allemaal met lede ogen blijven gadeslaan? Dus rest de vraag, hoe blijf je redelijk en verlicht wanneer deze maatschappij van je verwacht dat je braaf blijft meedraaien in de carrousel, om pas te mogen uitstappen tijdens die paar opgespaarde verlofdagen vlak voor je allerlaatste werkdag? Om vervolgens de dag erna, als de plicht vervuld is, alles eruit geperst, stilzwijgend door te moeten als een herdenkingsprentje?

Ik bedenk het maar.

Bij deze, zeg maar Kaat.